Ontspiegeld-Fragment-1

“Vrijheid en Merdeka
Verraad en loyaliteit
Rood-wit-blauw en Merah-putih”

In Hoofdstuk XIII beraamt de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) een aanslag op de spoorlijn Utrecht – Arnhem.

Het was een paar dagen na volle maan. Geen ideale omstandigheid voor een aanslag. Ze wachtten in de schaduw, achter een schuurtje. Een patrouille kwam voorbij, het geluid van knarsend grind verdween in de duisternis. Nu omhoog, een rail losschroeven. En weer terug het weiland in. Wachten. Na een tijdje sjokte er een goederentrein langs. Herman hield zijn adem in. Niets. Teleurgesteld bleven ze wachten. Als de volgende patrouille maar niet zou zien dat de rail los zat.
In het holst van de nacht hoorden ze in de verte weer een trein aankomen; de grond begon te trillen. Dit was geen gewone trein. Ze renden de spoordijk op, patrouilles of niet, ze trokken de rail verder opzij en holden het weiland weer in. Als dit niet ging lukken…!
Het monotone gedreun kwam steeds dichterbij, Herman zag de grommende locomotief in het dunne schijnsel van de maan; de blauw- verduisterde koplichten die verder weg leken dan ze waren. Paaaôoohhh! klonk de signaalhoorn van een zwaar locomotiefstel met vijfenzestig wagons vol materieel, paarden en Duitse militairen op de terugtocht van de slagvelden in Frankrijk. Opeens… gepiep van ijzer op ijzer, krakend hout. De mistige beemden van de Kraats werden verscheurd door het helse lawaai van ontspoorde treinstellen die door de achterste locomotief verder in elkaar geschoven werden. Paarden hinnikten in doodsnood en draafden in paniek het weiland in. Geschreeuw, gevloek en gelal. Ja, gelal, want het was aan boord een dolle boel geweest, hoorden ze later. Een van de wagons had vol met flessen cognac gezeten waar de uitgeputte soldaten wel raad mee hadden geweten.

In Hoofdstuk XVII komt Annemieke, een koerierster die met Herman een relatie heeft gehad het hoofdkwartier van de BS binnen.

Herman opende het luik en liet de trap zakken. Toen Annemieke boven was, schrok hij van haar roodbetraande gezicht. Ze wankelde naar een stoel, haar lippen trilden. Ze hapte naar adem en braakte het uit: ‘Pa en ma zijn afgevoerd. Door de SD! Ze hebben de broederij in brand gestoken!’ Bruusk trok ze haar baret af en sloeg ermee op tafel. ‘Is dát wat jullie willen? Dood en verderf?’
Het was doodstil rond de tafel.
‘Álles is mislukt, álles is verraden. Ik ben álles kwijt.’ Met haar hoofd in haar handen begon ze hartstochtelijk te huilen.
Ome Teus boog zich naar haar toe en legde zijn vereelte hand op haar schouder. ‘Lieve kind, wat verschrikkelijk. Zeg maar even niets, huil maar uit. Kom, neem een glaasje water, of wil je koffie?’ Hij beduidde Herman om een glas water in te schenken.
Behalve het snikken was het doodstil in de kamer. Terwijl Herman haar het glas aanreikte, aarzelde hij even of hij haar aan zou raken. Zijn gevoelens kregen de overhand en hij streelde haar vluchtig over haar bezwete haren.
Annemieke reageerde niet en dronk met kleine slokjes. Toen veegde ze haar ogen af en zei tegen niemand in het bijzonder: ‘Wat kijken jullie nou? Heb je me niet gehoord? Pa en ma zitten in De Wormshoef! De boerderij is afgebrand. Waarom doen ze dat, in godsnaam?’ Ze keek verwijtend in het rond.
Herman voelde zich rot en keek naar haar baret op tafel. Hij was het die Ossekoppele het verzet in had gesleurd. Zonder zijn romance met Annemieke was dat nooit gebeurd.
‘Jullie zijn een stelletje amateurs die oorlogje aan het spelen zijn!’ Annemieke spuwde vuur. ‘Als de Engelsen niet kunnen winnen van die rotmoffen, kunnen jullie het al helemáál niet. De oorlog duurt geen dag korter door al dat stoere gedoe met droppings en executies.’ Ze keek ome Teus aan. ‘Ja, u ook,’ zei ze, en ze stampte op de vloer. ‘Wat hebben die berichtjes die ik elke dag moet wegbrengen eigenlijk voor zin? Hartstikke gevaarlijk. Als ze me pakken, ben ik er geweest.’ Ze wachtte even, en toen ze merkte hoe haar tong de groep geselde, riep ze bijna triomfantelijk: ‘Die Engelsen doen helemaal niets! Ze laten jullie stikken! Het is volstrekt zinloos. Ik houd ermee op.’ Haar glas viel uit haar trillende hand en spatte op de vloer in stukken. Ze leek het niet te merken en schreeuwde: ‘En nu? Wat moet ik nu? Waar moet ik naartoe?’

In Hoofdstuk XXII rijdt Nanda een maand na de Onafhankelijkheidsverklaring Soerabaja binnen. Nanda zal later de assistente van Herman worden op de Staf van de Veiligheidsdienst.

Op 18 september landde een groepje Engelsen in Soerabaja om de demobilisatie van de Japanners voor te bereiden. Maar ze waren niet alleen. In hun spoor kwamen ook een paar Nederlanders mee om het bestuur weer in handen te nemen, onbewust van wat zich de afgelopen jaren in Nederlandsch-Indië had afgespeeld.

De volgende dag reed een gammele vrachtauto Soerabaja binnen. Tussen de tientallen mensen in de open laadbak was ook Nanda. Ze stond tegen de rand geklemd in haar witte, revolutionaire blouse die tijdens de rit steeds valer werd door het stof. Ze was naar Surabaya gekomen omdat tante Nonnie ziek was en hulp nodig had. Nanda was op stel en sprong vertrokken. Tante Nonnie moest uitkijken, de pemoeda hadden het niet erg voorzien op mensen die uit de kampen terugkwamen. Voor hen waren het allemaal onderdrukkers. Sommige interneringskampen moesten nu zelfs door de Japanners beschermd worden tegen de al te opdringerige pemoeda, en het was al tot schermutselingen gekomen.
Nanda keek haar ogen uit. Ze zag leuzen in het Maleis en in het Engels op de muren gekalkt: “We don’t want the Dutch” en “Dutch go home!”
De vrachtauto moest op de Toendjoenganstraat langzamer gaan rijden. Er liepen mensen over de tramrails in de richting van het Yamato Hotel; jongeren van haar leeftijd. Ze waren opgewonden, hun gezichten stonden grimmig en ze sloegen met hun bamboesperen op de lantaarnpalen.
‘Wat is er aan de hand?’ riep ze naar een jongen met een witte band in zijn haar die naast de vrachtauto liep.
‘Heb je het niet gehoord? De Belanda’s zijn teruggekomen. Ze zitten in het Yamato Hotel. Ze hebben de Nederlandse vlag gehesen.’
Vlak bij het hotel werd de vrachtwagen tegengehouden. Een paar jongens sprongen ervan af. Aan de vlaggenmast op het hotel wapperde de rood-wit-blauwe vlag. Er stonden wel honderd mensen voor het hotel te schreeuwen, de Japanse politieagenten probeerden tevergeefs orde te houden. Vanaf de laadbak zag Nanda hoe een groepje jongens met behulp van ladders het dak van het hotel opklom. De mensen beneden juichten. De jongens op het dak zwaaiden. Een van hen haalde de Nederlandse vlag naar beneden en scheurde de blauwe baan eraf. Toen de overgebleven rood-witte banen weer werden gehesen, loeide de mensenmassa: ‘Mer-de-kaaaa!’
Nanda rilde van ontroering bij het zien van die rood-witte vlag. Dit was de vrijheid waar ze op gewacht hadden. Dit was het einde van de overheersing. Ze schreeuwde mee, om haar angst voor de onbekende toekomst te overstemmen: ‘Mer-de-kaaaa!’
Uit het witte gebouw tegenover het hotel stormde een man naar buiten. Hij sloeg met een knuppel om zich heen en probeerde bij het hotel te komen. Opeens had de menigte geen aandacht meer voor het tafereel op het dak, en stortte zich op de man. Een klewang flitste, een ijselijke schreeuw, bijna onmenselijk. De mensen begonnen uitzinnig te dansen.

In Hoofdstuk XXIX rijdt Herman met een kolonne mee om de belangrijke sluizen bij Lengkong te ontzetten. Onderweg wordt in de amtrack voor hem een collega neergeschoten:

De amtrack was gestopt. Mathijssen en Herman stapten uit hun jeep en klommen de pantserwagen op, omgeven door een misselijkmakende geur van benzine en verschroeid vlees.

Ik heb altijd gedacht dat ik de paniek in de ogen van Van de Kamp nooit zou vergeten. Maar nu ik hem weer voor me zie, besef ik dat het geen paniek was, maar slechts verbazing. De paniek die ik destijds meende te zien, moet mijn eigen paniek zijn geweest. Het was niet de dode Van de Kamp die me van de wijs bracht, het was ook niet de dood, het was de daad van het doden zelf. Het besef dat iemand ophoudt te bestaan door een willekeurige kogel, zoals toen in de schaapskooi.
Het was niet meteen duidelijk waar Van de Kamp was getroffen. Maar toen er een straaltje bloed vanonder zijn helm langs zijn wangen sijpelde, zag ik het gaatje. Een banale toevalstreffer en een oude helm hadden het verschil tussen leven en dood bepaald. Zomaar, zonder enig doel of nut. Ik voelde geen verdriet, slechts de zinloosheid en de onmacht, het onbegrip dat ik geen plaats kon geven
Langzaam bekruipt me nu het gevoel dat ik toen nog niet onder woorden kon brengen. Opgevoed met de catechismus, had het antwoord op de vraag “Waartoe zijn we op aarde?” me nooit bevredigd. In mijn beschermde, gereformeerde studentenwereld had ik slechts met flarden van het absurdisme kennis gemaakt. Die filosofie voelde als een interessante, maar zondige gedachte, alsof je een koekje uit de trommel jatte. Ook daar, op die amtrack, durfde ik de vraag nog niet te beantwoorden wat voor zin het had gehad dat Van de Kamp was neergeschoten. En als zijn dood zinloos was, wat voor zin had een levende Van de Kamp dan gehad? Hij had toch niet geleefd om zo te sterven?
Nu ik opnieuw oog in oog met hem sta, lees ik in zijn ogen een vorm van berusting. Hij lijkt uit te stralen dat hij zich erbij neerlegt dat het allemaal voor niets is geweest wat hij heeft gedaan, dat de vraag waartoe we op aarde zijn, zinledig is. Waarom had hij zich verloofd voor hij naar Indië ging, waarom moest hij überhaupt naar Indië en waarom was hij uit die amtrack gekropen om een onbekende pelopper neer te maaien? Waarom was Van de Kamp op aarde geweest? Of die pelopper die in zijn zijspan was verbrand?
‘The first is the worst’, dreunde het door mijn hoofd. Het Oxbridge accent van de Engelse legerarts, de snikkende, jonge SS’er, het doorladen, het droge schot. Dat schot had ik gerechtvaardigd gevonden. Noodweer, had ik mezelf voorgehouden. De keuze was niet moeilijk geweest: vijf doden of de potentiële liquidatie van honderden onschuldige Edenaren als die SS’ers zouden ontsnappen. Niet alle doden zijn dus zinloos. Soms moet een leven geofferd worden om andere levens te redden. Helaas had ik al binnen een week gelijk gekregen: Putten. De dood van die SS’ers in de schaapskooi had dus wel zin gehad. Maar Van de Kamp? Zijn dood veranderde niets, bracht niemand veiligheid. Hij had net zo goed thuis kunnen blijven, had net zo goed nooit hoeven bestaan.


oorlogsboek-roman-pieter-de-nooij